Ontspoord
Thrillerlezers 19 oktober 2016

een spin-off van Uitgeteld – door Marja West

Aflevering 1

‘Ik ken u,’ hoorde ik zachtjes achter me zeggen ‘U bent mevrouw Alberda.’
Ik draaide me om. ‘Ik wás mevrouw Alberda. Die klootzak die u waarschijnlijk uw therapeut noemt heeft me aan de dijk gezet voor zijn secretaresse. Klassiek, vindt u niet?’
Mijn stem klonk verbitterd en ik wilde verder lopen. Toen pakte ze mijn schouder, en terwijl ik met mijn rug naar haar toe stond zei ze rustig: 'In die kelder daar liggen dossiers, stapels dossiers van patiënten van uw ex-man, en van zijn voorganger. Uw ex springt nogal ruimhartig om met zijn beroepsgeheim, moet u weten. Dat vind ik persoonlijk niet zo'n leuk trekje van hem. En nu liggen al die dossiers daar gewoon voor het oprapen.’
Haar woorden drongen tot mij door. Hoewel ik de volle omvang van de mogelijke gevolgen toen nog even niet overzag, rook ik kansen en kansen, die had ik al zo lang niet meer gezien. Santpoort-Noord is geen dorp voor mogelijkheden, het staat vol blinde muren.
Ik draaide me naar haar toe.
'Kunt u hier even blijven wachten met Sylvester,’ vroeg ik en reikte haar de hondenriem aan.

Zo is het begonnen. Iedere dag nam ik lijn 3 van Santpoort-Noord naar Haarlem. Ik stapte uit op het Houtplein en liep dan naar de Tempeliersstraat om lijn 80 richting Heemstede te pakken. Vanaf de Leidsevaart, waar ik vervolgens uitstapte, is het nog een kwartier lopen naar de Juliana van Stolberglaan in Aerdenhout. Op die laan liet ik mijn hond, Sylvester, altijd uit. Van de hoek met de Bellamylaan naar het punt waar de Overste den Oudenlaan begint. Een uur lang. Heen en weer. Halverwege woont en werkt mijn ex-echtgenoot, Eduard Alberda, in een grijs gestuukt pand met witte luiken. Psychotherapiepraktijk Aerdenhout, staat er op de gevel. Aan diezelfde gevel hangt een rijtje bordjes, eentje was er al een tijdje weg, die waar parkeren psychotherapiepraktijk Aerdenhout op staat. Meestal staan er auto’s voor de praktijk, van klanten en die van Tjadine, Eduards secretaresse voor dag en nacht.
Soms als ik langsliep trok Eduard het gordijn opzij om naar me te kijken, soms gebeurde er niets. Andere keren stuurde hij zijn secretaresse op me af met het verzoek om ergens anders met Sylvester te gaan lopen.
‘Uit hoofde vanuit welke functie stel jij mij die vraag?’ vroeg ik dan.
Het is immers een openbare weg, niemand kan mij verbieden om mijn hond uit te laten waar ik dat wil!
Die dagelijkse busreis hakte behoorlijk in op mijn budget. Toch was het een gewoonte waar ik erg aan gehecht was geraakt, ik had er weken vol stamppot met ui voor over. Tot de dag dat ik dus Esther van Nuenen tegenkwam voor de praktijk en zij mij wees op het kapotte raam, daarna liet ik Sylvester gewoon in het duin uit.
Op de vloer van Eduards kelder lag glas, aan elkaar gekleefd met ducttape. De ruimte was bedompt en gekraakt door spinnen. Tegen de wanden stonden rijen stellingen met planken en op die planken lagen dossiermappen, stapels dossiermappen.
Ze had niets te veel gezegd, het bestaan van psychotherapiepraktijk Aerdenhout lag er geschiedenis te worden, een geschiedenis die ik wereldkundig kon maken. Mensen leren nu eenmaal nooit van de fouten uit hun verleden.

Uiteraard besefte ik dat een kapot raam niet ‘welkom’ betekende. Ja, het was inbraak en ja, ik had er desnoods celstraf voor over want laten we wel zijn, een zit/keuken/slaapkamer in een Santpoort- Noordse flat onderscheidt zich nauwelijks van de vrouwenvleugel in Nieuwersluis. Maar daar kwam bij, het interesseerde mij geen fluit. In dat pand heb ik zelf meer dan vijftien jaar gewoond. Iedere hoek ervan heb ik geveegd, gezogen en gesopt, en iedere plee heb ik geborsteld tot het porselein witter zag dan een vers pak sneeuw. Ik heb klanten zien gaan en komen en ik heb mijn man in die jaren vooral horen komen, in zijn vrouwelijke klanten en in zijn secretaresses. De laatste bleek een blijvertje en ik werd het afdankertje, afgevoerd naar de milieustraat die Santpoort-Noord heet. Het leek mij dus dat er wel verzachtende omstandigheden voldoende waren voor een overtreding.

Met mijn hand veegde ik het stof van een dossiermap. Aan de buitenkant stonden data geschreven. Wanneer de behandeling was aangevangen, en wanneer deze was beëindigd, dat wist ik uit ervaring. Deze informatie kon goud waard zijn, hoewel ik toen nog niet goed zag hoe ik die waarde moest verzilveren. Boven mij hoorde ik voetstappen en gesnik, alsof er iemand huilde. Eduard flipte al als ik met hier met mijn hond wandelde, laat staan als hij mij in zijn kelder aan het werk zou zien. Ik moest hier weg. Gehaast legde ik een paar flinke stapels mappen buiten het kelderraam en klom er vervolgens zelf uit. Terwijl ik het stof van mijn spijkerbroek afveegde sprong Sylvester blij tegen me op.
‘Ik ben met de bus,’ zei ik tegen de vrouw. ‘Dit kan ik allemaal niet dragen…’
‘Wil je een lift naar huis?’ vroeg ze en gaf me de riem terug. Zonder een antwoord af te wachten pakte ze een stapel mappen op die ze achterin haar auto gooide.
‘Dank je,’ zei ik. Samen vulden we de achterbak.

‘Dat was een stomme zet van me, want zo ontmoette ik Esther van Nuenen’ vertel ik later de rechercheur die aanbelde. 'Kent u haar?’
‘Mevrouw van Nuenen? Alleen van naam’ zegt hij. ‘Afgelopen kerst heeft zij de catering verzorgd van ons bureau.’
‘In dat geval kent u haar schoonmoeder ook, Constanze van Nuenen,’ zeg ik.
Hij fronst zijn wenkbrauwen. ‘Ik geloof niet dat ik ooit persoonlijk kennis heb gemaakt met de overleden mevrouw Van Nuenen.’
‘Oh jawel, u weet het alleen zelf niet, nog niet,’ verzeker ik hem.
Wat moet je zo’n man nou vertellen?

‘Waar woon je,’ vroeg Esther, toen we wegreden. In haar achterbak lagen 58 dossiers. De bmw rook naar leer zoals alleen een nieuwe auto naar leer kan ruiken.
‘Santpoort-Noord,’ zei ik. 'Wie ben jij eigenlijk?’ Aan haar auto te zien had ze geld, veel geld.
‘Iemand die moeite heeft met de elastische ethiek van jouw ex,’ antwoordde ze. ‘Waar moet je precies zijn?’
Ik noemde de straatnaam terwijl ik een poging deed om Sylvester van het leren dashboard af te houden, zijn nageltjes lieten krassen achter.
‘Dat is ook toevallig, daar moet ik ook naartoe.’ Ze schakelde over naar de vijfde versnelling terwijl we nota bene door een woonwijk reden. ‘Mijn pedicure zit daar, Sonja’s voetenpaleis. Ken je die praktijk?’
‘Ik heb de naam weleens gezien,’ zei ik, ‘op een van de garagedeuren achter mijn flat.’ De strijd met mijn hond gaf ik op door hem op de grond te zetten.
‘Het is een goede pedicure, mocht je er ooit een nodig hebben. Ze geeft geweldige adviezen en niet alleen over voeten.’ Esther negeerde een rood stoplicht en deed de autoradio aan. Op de maat van de muziek walste ze met haar auto door de straten van Aerdenhout richting Santpoort-Noord, richting mijn hel.

Die dossiers eindigden dus in mijn kelderbox, gewoon, omdat ik eigenlijk niet wist wat ik ermee moest. Het bezit ervan was leuk, ik zag het als een manier om mijn ex te treiteren. Totdat ik bijna een maand later besloot om die box eens op te ruimen.

Stapels papier vulden even later mijn eettafel, naast mij stond een mok koffie te dampen. Ik sloeg de bovenste map open en staarde een tijdje naar het handschrift van mijn ex-echtgenoot zonder zijn woorden te lezen. Een handschrift dat ik zo goed kende van alle verjaardagskaarten en lieve post-it briefjes waarin hij liet weten hoe laat hij thuiskwam. Toen het ‘schoonheid’ op zijn kattebelletjes wijzigde in ‘Irene’ en de tijd niet langer in cijfers werd vermeld maar in aanduidingen als ‘laat’, had ik beter moeten weten: mijn man was op zoek naar een nieuwe oven.
Jarenlang boven vlekkerige pornoblaadjes in een ziekenhuiskamertje geproduceerde spermacellen hadden niet tot nageslacht geleid en op mijn zevenendertigste werd ik afgedankt, naar de milieustraat verbannen die Santpoort-Noord heet.
Eduard behield alles, inclusief onze vriendenkring vol adellijke namen. Naar ik vermoed omdat zij zich uitsluitend in mijn nieuwe woonomgeving wilden vertonen met een zak over hun hoofd.
Dat is nu twaalf maanden geleden. Hij woonde nog steeds in onze Aerdenhoutse villa terwijl ik mijn dagen sleet in die keuken/zit/slaapkamer, met uitzicht op een rij garages, en ik pakte het bovenste dossier.

J.A.M. Gravensteijn – De Waal stond er aan de binnenkant van de map geschreven, links bovenin. Het eerste blad vermelde de privégegevens van Judith, zoals ik haar normaal noem, een 36-jarige vrouw met een burn-out, zoals Eduard haar noemt.
Judiths leven is te zwaar voor haar geworden sinds ze haar uren moet verdelen tussen de zorg voor haar gehandicapte man en de zwoele nachten met haar minnaar Ron, vatte ik het verslag samen. Johan, haar echtgenoot, verloor zijn beide benen bij een auto-ongeluk, zijn vrouw zat achter het stuur. Het was een bizar ongeval dat de voorpagina van de landelijke dagbladen haalde volgens Eduards aantekeningen. Bij een Noord-Hollands kanaal vergat Judith de bocht te nemen en lanceerde hun auto over het water in de eetkamer van een ouder echtpaar. De man schepte op het moment van impact spruitjes op zijn bord en kreeg een hartstilstand, de vrouw overleefde het voorval maar zwoor spruitjes voorgoed af. Waarom Judith drie sessies lang op dit laatste feit hamerde werd niet duidelijk uit het relaas. Ergens stond in Eduards handschrift schuldgevoel tussen de regels gekrabbeld. Terecht, dacht ik. Om met je auto een kanaal over te steken zonder nat te worden is snelheid vereist. Ik bladerde naar de laatste pagina van Judiths dossier. Twee weken geleden is de behandeling voorlopig gestopt omdat cliënte beseft dat ze eerst een keuze moet maken, stond er. Ik vroeg me af wat Eduard voor dit advies in rekening heeft gebracht en sloeg de map dicht. Eerder had ik Judith eens iets horen zeggen over het ongeval, toen ze haar man voorstelde bij een feestje van de Rotary.
‘Dit is Johan, hij heeft zijn benen verloren bij een auto-ongeluk,’ zei ze terwijl hij zweeg. Zijn stem was Johan niet kwijtgeraakt, hij gebruikte hem alleen niet vaak. Of niet vaak meer, dat weet ik niet. Op feestjes stond hij in ieder geval altijd met zijn stoel in een hoek geparkeerd, anders kan ik het niet omschrijven, wachtend tot zijn echtgenote hem weer naar buiten duwde. Hij zou beter af zijn zonder haar, dacht ik en nam een slok van mijn koffie terwijl Sylvester op schoot sprong. Buiten zag ik de vrouw die mij op Eduards dossiers wees uit Sonja’s voetenpaleis komen.

Die avond stond de macaroni te koken terwijl ik een blikje pork opende. Over drie dagen kwam mijn uitkering binnen en tot die tijd moest ik het zien te redden met de aanwezige voorraad. Toen de pasta klaar was schepte ik wat op een bord en kneep er de laatste tomatenketchup overheen. Een jaar geleden at ik geen vlees uit blik, maar kocht ik het dagelijks vers bij de biologische slager. Vlak na mijn echtscheiding verloor ik mijn baan. Het accountantskantoor waar ik werkte moest zich aanpassen aan de nieuwe tijd waarin processen meer en meer geautomatiseerd werden, was hun onderbouwing bij de aanvraag voor de ontslagvergunning. Dat de eigenaar een oud-buurjongen van mijn ex was stond hier helemaal los van, verklaarde hij later tegenover het uwv. Sindsdien probeerde ik voor mijzelf te beginnen maar was daar weinig succesvol in. Niemand wilde een accountant die kantoor hield in haar keuken/zit/slaapkamer. Onderweg naar de bank met mijn bord eten passeerde ik opnieuw de dossiers. Het bezit ervan lag in mij te sudderen als een runderlapje in een juspan.

‘Mijn eerste klant werd trouwens Esther van Nuenen, ze had een accountant nodig, als was het alleen maar om mensen als u te weren.’ Zo'n rechercheur heeft recht op de waarheid, vind ik. Helemaal nu hij zonder het zich te realiseren betrokken is bij het wegwerken van een lijk.

Toen die avond de film plaatsmaakte voor de reclame gleden mijn ogen van het scherm naar de stapels op mijn eettafel en ineens zag ik voor mij hoe deze informatie de sleutel kon vormen tot wat ik wilde!
De familie Gravensteijn is rijk. Oud geld dat ze in dit leven niet meer op zullen maken en ik vroeg me af wat mevrouw over had voor haar huwelijk, of voor zijn bankrekening, hoe je het zien wilt. Johan mocht dan een zwijgzame invalide zijn, hij was ook haar geldboom en de wetenschap van het bestaan van een viriele concurrent zou hem hoogstwaarschijnlijk doen inzien dat een verpleegster zijn kar ook prima kon duwen. Judith kon ik de keuze geven: betalen of binnen een week hangt er een keurig uitgetypt A-viertje over het seksleven van mevrouw Gravensteijn – De Waal op het annoncebord van Albert Heijn en weer moest ik denken aan de vrouw die mij had thuisgebracht. Wat had zij gezegd over Eduard? Elastische ethiek? Ik kon de elasticiteit van Eduards beroepsgeheim nog wat verder oprekken, de grenzen van de draagkracht verkennen, de psychotherapeut een beetje aan het uiteinde laten bungelen, hem het liefst Aerdenhout uit katapulteren. Ik ging er althans vanuit dat de informatie in deze klantendossiers in vertrouwen was verstrekt, en dat mensen als Judith Gravensteijn niet lang nodig zouden hebben om uit te vissen wie hun privéleven voor het oprapen had gelegd.
Een half pak rode Aldi-wijn later nam ik het besluit om mijn bijstandsuitkering van deze maand te investeren in een missie. Over drie dagen zou ik een goedkoop mobieltje kopen bij Media Markt in Groningen, 58 prepaidkaarten, een printer en printerinkt. Niemand wilde ik financieel uitkleden, betalen naar draagkracht vond ik vriendelijker klinken.
Ik aaide Sylvester die op mijn schoot lag te slapen.
‘Binnenkort eet jij geen Aldi-brokken meer, maar krijg je Cesar, met een toefje peterselie,’ fluisterde ik in zijn oor.

Aflevering 2

‘Ik kan u koffie aanbieden, maar dat is al net zo cliché als je secretaresse neuken,’ zeg ik tegen de rechercheur die door mijn eenkamerwoning ijsbeert.

‘Waar heeft u die patiëntendossiers nu?’ vraagt hij.

‘Ze liggen weer in mijn kelderbox, ik kon ze even niet meer zien. Gaat u Esther van Nuenen arresteren?’

Zonder iets te zeggen pakt hij een stoel, ik zie het maar als een teken dat ik verder kan gaan. Hoe flexibel moet ik de waarheid eigenlijk houden? Wat heb ik op mijn geweten? In feite begon het allemaal met een stupide ongeluk, en toen kwam Esther, of liever, toen haalde ik Esther erbij.

Op station Santpoort-Noord wachtte ik totdat mijn trein zou aankomen. De laatste sneeuw smolt weg en ik rook het voorjaar in de lucht, een lage zon scheen onder de perron-overkapping door. Ik sloot mijn ogen en genoot van de breekbare warmte op mijn gezicht. Alleen al het vooruitzicht op een nieuw leven, of nee, op een terugkeer naar mijn oude leven, had een heilzame werking. Die ochtend had ik het grootste deel van mijn uitkering contant opgenomen en een kaartje gekocht naar Amsterdam Sloterdijk. Vanaf daar wilde ik met de metro naar Amsterdam Zuid, pas op dat station zou ik betalen voor de Intercity naar Groningen. Een mens kon niet voorzichtig genoeg zijn, was mijn overweging geweest, wetende dat ik nog een goede reden moest verzinnen voor mijn excessieve geldopname. In de verte hoorde ik het gerinkel van de spoorwegovergang. Toen de trein piepend tot stilstand was gekomen stapte ik in, zocht een plekje en zette Sylvester op schoot. Op de bank tegenover mij lag een oude Privé. ‘Verdwijning van hoofdredactrice Culinair Lifestyle blijft een mysterie’, kopte de voorpagina en ik pakte hem op.

‘Vorig jaar is de in Aerdenhout woonachtige Annelize van Rooijen-Zuilensteijn op raadselachtige wijze verdwenen. Haar bmw is destijds teruggevonden in de Bijlmer voor de deur van een crimineel die bij de politie bekend staat om zijn handel in gestolen auto’s. Eddy K. heeft echter tegenover de politie verklaard dat de wagen hem cadeau was gedaan door zijn ex-vriendin, de sleutel zou door haar in de brievenbus zijn gegooid. Van mevrouw Van Rooijen-Zuilensteijn ontbreekt nog steeds ieder spoor. Inmiddels is K. weer vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. De zoektocht naar Van Rooijen-Zuilensteijn heeft tot nu toe geen andere aanknopingspunten opgeleverd.’

Wat een vreemd verhaal, dacht ik en sloeg de pagina om terwijl de trein het station verliet.

Mijn nieuwe leven kon wat mij betreft niet snel genoeg beginnen, zeker omdat het meer toekomst bood dan het oude. Langs de kade van de Westerhaven in Groningen plaatste ik de eerste simkaart in mijn nieuwe mobiel. Uit mijn binnenzak viste ik het papiertje waarop ik Judith Gravensteijns nummer die ochtend had genoteerd en ik haalde diep adem alvorens de cijfers in te toetsen.

Even later nam ze op.

‘Met Judith,’ hoorde ik zeggen. Ik herkende haar stem.

‘Hallo Judith, met… iemand,’ antwoordde ik terwijl ik me afvroeg waarom ik mij niet beter had voorbereid. Dit klonk wel erg knullig.

‘Pardon?’

‘Hoe is het met Ron? Heb je al een keuze kunnen maken? Dat valt zeker niet mee, hè. Ron mag dan ’s nachts misschien goddelijk wezen, zijn dagen slijt hij met zijn hoofd in een keukenkastje en zijn gespreksonderwerpen reiken niet verder dan het nieuwste model zwanenhals.’ Ik was blij dat Eduard zo gedetailleerd was in zijn verslaglegging.

‘Pardon?’ Haar stem sloeg deze keer over.

‘De vraag is nu of de lengte van Rons penis voldoende opweegt tegen de bankrekening van jouw echtgenoot, maar aangezien jij geen keuze schijnt te kunnen maken, denk ik dat het veilig is te veronderstellen dat jij beseft dat je met geld iedere lul kunt kopen, maar dat een lul niet altijd geld oplevert, tenzij je jouw Ron zo ver krijgt dat hij zich op een ander soort pijpen stort maar dan moet je kunnen delen en dat is natuurlijk moeilijk.’ Het bleef een paar seconden stil aan de andere kant.

‘Met wie spreek ik eigenlijk?’ vroeg ze toen.

Ze klonk alsof ze ijsblokjes aan het eten was.

‘Met iemand die vindt dat jij dat moet leren, delen. Ron hoef ik niet te hebben, maar een stukje van jouw bankrekening, zeg een ton, daar zou ik geen nee tegen zeggen.’ Dit ging me te gemakkelijk af en ik begon serieus te twijfelen over mijzelf. Het enige dat ik namelijk voelde was een soort opwinding, zoals wanneer je de uitslag van de Staatsloterij controleert om te kijken of je eindelijk miljonair bent geworden. Meer niet. Geen schaamte, geen medelijden met Judith, maar slechts een bijna kinderlijke innerlijke onrust over het vooruitzicht op de hoofdprijs.

‘Over een uur bel ik je weer, en dan hoor ik graag of je mij ook iets gunt, of dat je accepteert dat jouw liefdesleven binnenkort als kort verhaal aan het annoncebord van een Albert Heijn hangt.’ Toen verbrak ik de verbinding.

De boten in de haven kabbelden rustig op het water en onder het geluid van het zeiltuig dat tikte tegen de mast besefte ik dat jezelf kennen een relatief begrip is.

Een uur later zat ik met een beker Coca-Cola en twee hamburgers van McDonald’s op een bankje. Vooruitlopend op mijn stijgende inkomen had ik mijn thuis gesmeerde boterhammen voor de vogels gegooid en mijzelf en Sylvester getrakteerd op deze bescheiden lunch. In de wachtrij voor de counter had ik besloten mijn geld op de begraafplaats in Bloemendaal in ontvangst te nemen. De familie van Eduards moeder bezit daar een graftombe waarvan ik nog steeds een sleutel aan mijn bos had hangen omdat het verzorgen van de bewoners de laatste huwelijksjaren tot mijn taak behoorde. Met haar eigen dood in het vizier kon mijn schoonmoeder die taak niet meer opbrengen. Ik kan met Judith op de begraafplaats afspreken, bij de eerste splitsing, en vanaf daar samen met haar naar die tombe lopen. We hebben elkaar maar één keer ontmoet, een zonnebril en een pruik moeten voldoende zijn om te voorkomen dat ze mij zal herkennen als Eduards vrouw, of ex-vrouw, ik wist niet hoe goed zij op de hoogte was van zijn privéleven.

Judith nam onmiddellijk op toen ik terugbelde.

‘Ik betaal je vijftigduizend euro en geen cent meer,’ zei ze zonder enige begroeting. Ik ervoer dit als onbeleefd, een typisch Aerdenhoutse kijk op plebs, totdat ik mij realiseerde dat zij mij zag als haar afperser. Hoeveel kon ik Judith op dit vlak kwalijk nemen?

Ik dacht even na. Vijftigduizend was minder dan een ton maar beter dan niets. Bovendien, zij was mijn eerste ‘klant’. Ik zat nog in een leerproces en wilde niet meteen een onderhandeling in moeten gaan. Eerst maar eens kijken of hier überhaupt wat mee te verdienen viel. Wat zou mijn ex hier vanuit zijn professie van vinden?

‘Akkoord,’ zei ik toen. ‘Maar dan wil ik het morgenmiddag om vijf uur hebben. Wij ontmoeten elkaar bij de ingang van de begraafplaats op de Bergweg in Bloemendaal, vanaf daar loop jij rustig een stukje met mij mee. Als je niet op komt dagen, hangt jouw verhaal nog voor de winkelsluiting in iedere supermarkt binnen een straal van tien kilometer van je huis.’ Ik drukte haar weg en opende de achterkant van de telefoon. Het simkaartje verdween in de Westerhaven. De hamburger smaakte goed, beter zelfs nu ik wist dat mijn portemonnee voorlopig voldoende gevuld zou zijn om het komend jaar een aanzienlijk luxer leven te leiden. Nergens in mij knaagde iets dat op geweten leek. Eerder had ik het gevoel een goede daad te hebben verricht, Johan had zijn vrouw terug, of verpleegster, hoe je het zien wilde, en ik mijn leven. Had Judith maar niet de loodgieter moeten pakken. Over cliché gesproken.

Met een pruik op zag ik eruit alsof ik een chemokuur onderging, ik werd dan ook meewarig aangekeken door mijn medepassagiers toen ik de lijnbus instapte. De zonnebril zat nog in mijn zak. Als ik die opzette zou het te veel op een vermomming gaan lijken en dat was niet de bedoeling, dan liever doodziek ogen. Van mijn eerste zelfverdiende geld ging ik een auto kopen zodat ik nooit meer met het openbaar vervoer hoefde te gaan, dat leek mij een zegen. Langs het hockeyveld liep ik richting de Bergweg, het was pas vier uur. Meisjes renden heen en weer over het gras. Het geschreeuw van hun coach had iets geruststellends, het dagelijkse leven dat gewoon doorging, ook als je met een goedkope pruik op naar een graftombe liep om afgeperst geld in ontvangst te nemen. Bij de ingang van de begraafplaats ging ik tegen een van de gemetselde zuilen op de grond zitten wachten tot het kwart voor vijf was, toen liep ik naar de eerste splitsing voor mijn afspraak. Op de hoek lag Annie, haar familie mist haar niet meer zo erg als toen zij de steen lieten beitelen, het aangegroeide mos vertelde me dat ze in de vergetelheid was geraakt.

Om twee minuten voor vijf zag ik haar aankomen. Ze had een shawl om haar hoofd geknoopt en wel een zonnebril op. Zwijgend liep ze achter mij aan. Toen ik de graftombe opende las ze hardop de letters op de gevel voor: ‘Van Heerdt tot Breughel. Ben je familie of de schoonmaakster?’ De vraag kwam er spottend uit.

‘De ex-schoonmaakster,’ zei ik geheel naar waarheid en te snel.

Uitnodigend hield ik de deur voor haar open, aarzelend stapte ze naar binnen. De lucht was bedompt, als stilstaand water. Ik knipte het licht aan en Judith zette haar zonnebril af.

‘Waar heb je het geld?’ Haar handtasje leek mij te klein voor vijftigduizend euro en ze had verder niets anders bij zich, hoewel ik mij geen enkele voorstelling kon maken over het volume van een halve ton in papiergeld.

‘De amateuristische wijze waarop jij meent iemand een vermogen afhandig te kunnen maken heeft mij aan het denken gezet. En nu ik jou zie vermoed ik dat ik je ken. Jij bent de ex-vrouw van Eduard Alberda is het niet?’

De vloer van de graftombe leek te wankelen alsof er een aardbeving plaatsvond.

‘Nee,’ antwoordde ik te luid.

Plots deed ze een stap naar voren en graaide mijn pruik van mijn hoofd. Van schrik gaf ik haar een stevige duw. Met haar achterhoofd knalde ze tegen een van de memorabilia van oom Leonard aan. Er klonk een krakend geluid dat voor een rilling over mijn ruggengraat zorgde, maar Judith krabbelde direct weer overeind terwijl ze ondertussen in haar handtasje graaide; die mankeert gelukkig dus niets, dacht ik nog. En net toen mijn ademhaling wat meer ontspannen dreigde te worden zakte ze licht kreunend in elkaar om daarna stil te blijven liggen. Onder haar hoofd vormde zich langzaam een steeds groter wordende plas bloed.

Op het moment dat ik Judith Gravensteijn een duw gaf zette ik mijn toekomst op slot en dat besefte ik starend naar die plas bloed. En terwijl het buiten langzaam donker werd, zat ik met een lijk in een graftombe voor me uit te staren. Nee, met meerdere lijken. Alleen eentje lag er buiten een kist.

Uiteindelijk trok ik Judiths handtasje naar me toe om te zien wat ze probeerde te pakken en haalde er pepperspray uit. Die spray liet ik in mijn zak glijden, je wist nooit waar het nog goed voor was. Geld had ze niet bij zich, althans niet de afgesproken halve ton. Haar portemonnee was leeg, onderin haar tasje vond ik een los dubbeltje. Dat stak ik alsnog in mijn zak. Het was beter om morgen terug te komen, besloot ik. Misschien dat ik vannacht op een goed idee kwam, maar voor nu kon ik de boel maar het best zo laten. Ik kwam overeind en zette mijn pruik weer op. Met een papieren zakdoekje maakte ik alles schoon wat ik aangeraakt had. De volgende keer moest ik een bezem meenemen om verloren haren weg te vegen en terwijl dat door mijn hoofd schoot wist ik dat er geen volgende keer zou komen. Afpersen was al een weg die ik liever nooit was ingeslagen, maar wat er vanavond gebeurd was mocht zeker niet herhaald worden. Goed, ik had niet de intentie gehad om Judith te vermoorden, ik had gehandeld uit noodweer, of nee, gewoon in een reflex. Kon ik dan trouwens niet beter gewoon de politie bellen?

Ik stond op en verliet de tombe.

De begraafplaats was inmiddels gesloten. Er zat weinig anders op dan over het hek te klimmen. Ik moest er trouwens niet aan denken dat iemand van de familie oom Leonard een bezoekje ging brengen.

Anderhalf uur later sprong Sylvester piepend rond mijn benen. Zijn plas deed hij tegen de voordeur van de buren, langer kon hij het niet ophouden. Een uur lang liep ik met hem door de stille straten van Santpoort-Noord en al wandelend besloot ik om de volgende ochtend naar Sonja’s voetenpaleis te gaan. De vrouw die mij de dossiers had gegeven liet mij niet meer los. Zij had een reden om mij op de inhoud van Eduards kelder te wijzen en misschien wel een reden die niet zo heel erg veel afweek van de mijne: wraak. Judith kon ik niet in de grafkelder van mijn ex-schoonmoeder laten liggen, ze moest daar weg, en in mijn eentje redde ik dat niet, al was het alleen maar omdat ik geen auto had. Naast mevrouw Alberda was ik de enige met een sleutel van de tombe en daardoor liep ik een te groot risico hoofdverdachte te worden als haar lichaam gevonden werd. Op zijn minst kon ik gaan peilen of die onbekende vrouw een medestander zou kunnen zijn.

Aflevering 3

De volgende ochtend trok ik de garagedeur van Sonja’s voetenpaleis open. Op een krukje zat een vrouw met gemillimeterd wit haar te bladeren in een magazine terwijl ze met haar vingers roze kauwgom uit haar mond tot een slappe sliert trok. Snel propte ze het spul terug naar binnen toen ze mij zag.
‘Had u een afspraak staan?’ Ze gleed van haar kruk af en liep naar een kalender die aan de muur hing.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik wil je alleen maar wat vragen. Er komt hier weleens een vrouw met lang donker haar. Ze rijdt in een bmw, ik denk dat ze in Aerdenhout woont.’
‘Esther,’ zei ze. ‘Je bedoelt Esther van Nuenen.’
‘Weet jij waar ze woont?’
Ze haalde haar schouders op. ‘In Aerdenhout, zoals je al zei, maar vraag me niet om het adres. Ze heeft het weleens over een huis dat De Witte Reiger heet, of Mus dat weet ik niet meer. Een vogel in ieder geval. Waarom wil je dat weten?’
‘Dank je.’ Een uitleg was ik haar wat mij betreft niet verschuldigd. Ik liet de deur weer zakken.
‘Hé, wil je geen afspraak maken,’ hoorde ik haar roepen terwijl de garagedeur zachtjes bleef na schommelen.

Drie kwartier lang liep ik door de straten van Aerdenhout totdat ik een huis zag waar Witte Meeuw op stond. In de tuin was een bordje ‘te koop’ geplant. Ik belde aan, maar niemand deed open. De buren rechts waren kennelijk bezig om hun tuin opnieuw in te richten, op een grote eikenboom na was alles leeggehaald. Op de oprit stond een bmw geparkeerd welke leek op de auto van de vrouw die mij bijna een maand geleden met Eduards dossiers naar huis had gebracht. Misschien woonde Esther daar wel. Ik liep naar de voordeur en belde aan. Esther van Nuenen deed open. Ze droeg een keukenschort en zag er verhit uit. Op haar wang zat een veeg tomatensaus.
‘Hallo,’ zei ze. ‘Jij hier?’
‘Mag ik even binnenkomen? Ik wil je iets vragen.’
Uitnodigend hield ze de deur open. ‘Natuurlijk! Maar ik heb het wel druk…’

Even later zat ik met een kopje koffie op haar bank. Het huis rook op een aangename manier naar eten.
‘Waarom wees jij mij op Eduards dossiers?’ begon ik voorzichtig.
Esther zette haar losgeraakte haar opnieuw met een speld vast. ‘Dat heb ik je toch verteld? Omdat ik het niet eens ben met de wijze waarop hij met zijn beroepsgeheim omgaat. Hoe ben jij eigenlijk aan mijn adres gekomen?’
‘Via je pedicure. Ben jij uit op wraak?’ Ik viel maar gelijk met de deur in huis.
‘Niet speciaal,’ antwoordde ze. ‘Maar als het zo op mijn pad komt zal ik een kans niet laten liggen. Wat dan?’
Ik wist even geen antwoord te geven. Hoe vertel je iemand dat je met een lijk in een graftombe zit en graag haar handen en haar auto zou willen lenen om het te verwijderen?
‘Het ruikt hier lekker,’ zei ik. ‘Wat ben je aan het maken?’
‘Hapjes, voor een privéfeest.’
‘Heb je een eigen cateringbedrijf?’
‘Nee. Ja. Of eigenlijk weet ik het niet. Een paar weken geleden was mijn man jarig en toen heb ik voor het eerst zelf al het eten verzorgd. De gasten waren zo enthousiast dat de voorzitter van de golfclub mij vroeg om borrelhapjes te serveren op hun jaarlijkse feest. Nou ja, sindsdien loopt het eigenlijk een beetje storm. Nu ben ik dus voor jouw ex aan het koken.’
‘Gefeliciteerd.’ Ik meende het oprecht ondanks dat ze Eduards feestje ging cateren. ‘Wel veel werk in je eentje, of heb je hulp?’
‘Dank je. Nee, ik doe het alleen, maar dat is goed te doen. De ingrediënten zijn een groter probleem, ik kan niet overal even gemakkelijk aan komen, maar meestal weet mijn pedicure wel raad.’

Ze zag er ineens wat moedeloos uit, viel mij op en ik snapte niet wat haar pedicure hiermee te maken had. Het gesprek was gezellig, maar ging niet de kant op die ik wilde.
‘Dat is vervelend. Eigenlijk kwam ik je…’ ik stopte even, ‘om een gunst vragen maar ik weet niet goed waar ik moet beginnen,’ zei ik eerlijk.
‘Mij kun je alles vragen hoor. Wil je nog een kopje koffie?’
‘Lekker.’
‘Nou, vraag dan,’ spoorde ze me aan terwijl ze inschonk.
Ik haalde diep adem. ‘De dossiers van mijn ex brachten mij op een idee. Kijk, Eduard heeft mij gedumpt…’
‘Voor Tjadine,’ zei ze.
‘Die ja,’ antwoordde ik.
‘Ze zet goede koffie,’ zei Esther, ‘maar om daarom nu je vrouw te verlaten…’
‘Het was ook niet vanwege de koffie.’ Deze vrouw kon ik af en toe niet volgen. ‘Hij wil graag kinderen en met mij lukte dat niet. Maar waar het om gaat is dat ik geen cent van hem heb gekregen en toen ik die dossiers zag leek het mij een goed idee om…’ ik twijfelde even hoe ik dit nou weer ging uitdrukken, ‘nou ja, mijn bankrekening wat te spekken.’
‘Je heb besloten om zijn cliënten te chanteren!’ Ze begon hard te lachen.
‘Zoiets ja.’ Ik voelde dat het bloed naar mijn gezicht trok.
‘Wat een geweldig idee,’ riep ze. ‘En waarom vertel je dit aan mij?’ Ze liet haar stem dalen. ‘Ik zal het niet doorvertellen, hoor.’
‘Omdat ik een probleem heb,’ antwoordde ik voorzichtig.
‘Problemen zijn er om opgelost te worden, dat zegt mijn pedicure altijd, dus kom maar op.’
Ik begreep niet waarom Sonja’s voetenpaleis steeds ter sprake kwam. ‘Wel, eh, nou zie je, kijk, wat ik zeggen wilde, het zit namelijk zo dat…’ mijn woorden surfden over een tsunami van weerstand.
‘Ja,’ zei ze terwijl ze haar wenkbrauwen vragend optrok.
‘Het is niet zo gegaan als ik gehoopt had.’
Ze bleef vragend knikken en gebaarde mij met twee handen om verder te gaan.
‘Judith Gravensteijn ligt dood in de graftombe van Eduards moeder en ik weet niet wat ik nu moet doen,’ zei ik snel, alsof het tempo de boodschap zou dempen. ‘Het was niet mijn schuld, ze viel gewoon verkeerd.’ Het hoge woord was eruit, opnieuw had ik een keuze gemaakt zonder alle gevolgen te kunnen overzien.
‘Fantastisch.’ Esther kwam overeind, legde haar handen op mijn wangen en gaf me een zoen. ‘Je bent een engel,’ zei ze en ineens snapte ik waarom ik haar niet begreep: deze vrouw was volslagen gek.
‘Waar en wanneer kan ik haar halen?’ Ze sprong op en neer. ‘Ik ben zo blij met jou, weet je dat? Het is ongelofelijk hoe mijn leven steeds meer als een puzzel in elkaar valt, en dat allemaal dankzij Sonja’s adviezen. Zullen we een wijntje opentrekken, om het te vieren?’
‘Eh, dat is goed,’ hoorde ik mijzelf zeggen terwijl ik me nu toch werkelijk ging afvragen of Sonja’s voetenpaleis een dekmantel was voor allerlei onsmakelijke activiteiten; ik had het altijd al vreemd gevonden dat ze praktijk hield achter een garagedeur.

‘Rothschild.’ Esther schonk in. ‘Normaal moet hij antichambreren maar deze flessen smaken zonder al dat ge-adem ook perfect, is mijn ervaring. Ze zijn niet goedkoop, maar wij hebben wat te vieren. Proost!’
Ik vroeg me af wat ík zou doen als een wildvreemde bij mij aanbelde met de mededeling dat hij een onder verdachte omstandigheden omgekomen vrouw in een familie graftombe had verstopt. In ieder geval zou ik er geen dure fles wijn voor opentrekken.
‘Waarom vieren wij dit?’ De wijn smaakte inderdaad fantastisch, beter dan de literpakken van Aldi.
‘Ik zit hier met mijn handen in het haar omdat het belangrijkste ingrediënt van mijn hapjes op is, en jij belt aan met de oplossing!’
Er ging mij iets dagen, een gedachte waarvan ik niet wist of ik die toe wilde laten.
‘Je bedoelt toch niet dat… nee, toch, nee dat…’
‘Ja zeg, het was niet mijn idee hoor,’ zei Esther. ‘Sonja gaf mij het advies Annelize, dat was mijn buurvrouw, in haar sop gaar te laten koken. Nou, dat bleek een prima advies want nu zijn mijn culinaire hapjes een regelrechte hit.’
Ik gooide de inhoud van mijn glas achterover en schonk ongevraagd een tweede tot de rand vol die het eerste volgde. Nu het volle besef van haar woorden tot mij doordrong kon ik niet genoeg Rothschild tot mij nemen om mijn hersenen te dempen.
‘Sonja. Van het voetenpaleis, die Sonja.’
‘Ja,’ zei ze. ‘Lekker wijntje, hè?’
‘Annelize.’ Wat was haar achternaam ook al weer? ‘Als in die vrouw die verdwenen is, die redactrice of zoiets?’
‘Ja,’ zei ze weer. ‘Zal ik vast nog een fles opentrekken?’
Ik werd niet lekker.

‘Annelize had een verhouding met mijn man en, nou ja, om een lang verhaal kort te maken, op een gegeven moment lag ze dood in mijn gang. Dat was vlak voor zijn verjaardag en dat maakte de zaak flink gecompliceerd. Toen gaf Sonja mij het advies Annelize weg te werken door haar gaar te koken. Dat heb ik natuurlijk niet gedaan, gekookt vlees wordt taai. Maar grillen of bakken ging uitstekend en sindsdien word ik overspoeld met opdrachten om te cateren. Alleen, Annelize is op en nu kom jij mij hier zomaar vers vlees leveren!’
Esther van Nuenen keek mij dankbaar aan. ‘Waar kan ik de wc vinden?’ vroeg ik vlak voordat de inhoud van mijn maag mijn mond bereikte.

‘Rothschild valt niet goed op een lege maag, ik weet er alles van,’ zei Esther terwijl we even later over de Brederodelaan in Bloemendaal reden en ik vroeg me af of zij niet te veel op had om achter het stuur te mogen zitten.
‘Je moet hier naar links.’
We passeerden het hockeyveld dat er nu verlaten bij lag. Het was half elf ’s morgens. De begraafplaats was inmiddels geopend, ik hoopte maar dat niemand een kijkje had genomen in de graftombe.
‘Is er veel vocht uit haar gekomen?’
Ik keek naar opzij. De vraag klonk erg klinisch en misschien was die benadering onder de omstandigheden ook wel de beste. Dat Esther ook praktisch was bleek al toen ze voor ons vertrek naar de Bergweg haar kofferbak vulde met grofvuilzakken, ducttape, emmers, miniflesjes schoonmaakmiddelen en doeken.
‘Dat valt wel mee. Een paar liter, denk ik. Ik weet het eigenlijk niet, het is moeilijk in te schatten als het in een plas op de grond ligt,’ hoorde ik mijzelf tamelijk mechanisch antwoorden.
‘Dat ken ik,’ zei ze.
Ik vroeg maar niet verder naar de aard van die opmerking. Bij de begraafplaats wachtten we tot er geen mensen meer te zien waren, toen stapten we uit. Esther opende haar kofferbak.
‘Hier,’ zei ze. ‘Vul je zakken.’ Ze reikte mij doeken en een paar flesjes aan. Zelf stopte ze de vuilniszakken en de tape weg onder haar kleding, de emmer nam ze in haar hand mee. ‘Dat valt toch niet op, zo lijkt het net alsof we plantjes water gaan geven,’ was haar uitleg.
Samen liepen we de poort door en ineens besefte ik dat onze levens voor altijd met elkaar verbonden zouden zijn, of liever, dat wij op het punt stonden om elkaars levenslijn te worden.

Vlak voordat we bij de graftombe aankwamen liepen we langs een kraantje, daar vulde Esther de emmer. Even later opende ik de deur. De putlucht die er gisteren hing droeg nu een vlaag van stront met zich mee en ik had moeite met ademhalen. Esther leek nergens last van te hebben, ze stapte onmiddellijk naar binnen.
‘Doe die deur dicht,’ zei ze. Ik volgde haar verzoek op.
Ze bekeek het lijk alsof ze een biefstuk bij de keurslager uitzocht en in wezen was dat voor haar ook zo.
‘Zeg, houd jij eigenlijk wel een administratie bij?’ vroeg ik. Het gemak waarmee Esther van Nuenen met de situatie omging werkte aanstekelijk.
‘Nee. Moet dat?’
‘Van de Belastingdienst wel ja. Ik ben boekhouder, zal ik het voor je doen?’ Zelden heb ik op een vreemder moment klanten geacquireerd.
‘Als je dat zou willen.’ Ze leegde haar jaszakken en gaf mij de ducttape. Toen scheurde ze de grofvuilzakken open. ‘Wil jij mij stukken tape aangeven?’ Ze legde het plastic neer en rolde Judith erop.
‘Mag ik je dan adviseren vanaf nu al je bonnen te bewaren,’ zei ik terwijl ik haar de eerste strook aangaf. ‘Zonder papieren onderbouwing accepteert de fiscus geen kosten.’
Weer gaf ik een stuk tape aan en Esther vouwde de zak om Judiths voeten dicht. Ik begon nu wel erg af te zakken, realiseerde ik mij. Helpen om een gestoorde vrouw haar gekte te bedekken met een laagje legaliteit viel niet binnen de grenzen van mijn eigen beroepsethiek. Het moest maar bij zoveel mogelijk mondelingen adviezen blijven!
Judiths benen waren nu ingepakt. ‘Kun je wat langere stroken aangeven?’ vroeg Esther. ‘En wat bedoel je met fiscus?’
‘De Belastingdienst. Die komen af en toe je boeken controleren.’ Ik worstelde met een meter tape maar gaf de strijd op en trok een nieuwe strook van de rol.
Esther keek naar me op. Ze dacht na en zei toen: ‘Dat ik daar nog niet aan gedacht had! Dank je!’
Met twee handen pakte ze de uiteinden van een reep tape over en rolde Judith met het plastic er als het ware in. Ik trok weer een lap van de rol die ik aangaf.
‘Wat een goed advies!’ Esther keek me lachend aan. Judith lag er als een mummie bij, alleen haar hoofd was nog zichtbaar. Toen trok ze een hele zak over Judiths gezicht en pakte de strook waar ik mee in mijn handen stond te wachten om de zaak bij haar nek te dichten.
‘Hoe gaan we haar eigenlijk naar de auto vervoeren?’ vroeg ik.

‘Lopend, vanavond,’ zei ze. ‘Nu gaan we eerst boenen.’

Aflevering 4

‘Dus u wilt beweren dat mevrouw Van Nuenen mensenvlees verwerkt en u haar boekhouding daarvan voert?’
Deze rechercheur gelooft geen klap van mijn verhaal en ergens kan ik mij dat voorstellen. Ik geloof mijzelf niet eens.
‘U belt de politie met de mededeling dat u informatie heeft over de verdwijning van een aantal mensen, ik kom hierheen en dit is uw verklaring?’
Waarom heb ik die man gebeld? Toen er menselijke botten werden gevonden op het Kopje van Bloemendaal had ik toch gewoon mijn mond kunnen houden? Esther heeft waarschijnlijk ook niets gezegd, of wel? Kan ik van haar op aan? Dat mens is gestoord!
‘Misschien kunt u Esmeralda vragen te getuigen?’ vraag ik.
‘Esmeralda?’
‘Luistert u maar gewoon verder,’ zei ik moedeloos.

En weer beleefde ik een zonsondergang in een graftombe.
Esther van Nuenen en ik zaten zwijgend naast elkaar tegen de deur. De ruimte was schoon en het rook er naar bleekwater. Ik had hoofdpijn gekregen van de lucht en verlangde naar een sigaret. Tegen half tien stond Esther op.
‘Ik denk dat we haar nu wel naar de auto kunnen brengen.’ Ze veegde het stof van haar kont af.
Ik volgde haar voorbeeld.
‘Als jij hier blijft wachten dan ga ik kijken of de parkeerplaats leeg is. Ik ben zo terug.’ Ze verdween in de nacht. Ik bleef alleen achter, omringd door de doden. In mijn maag vormde zich een knoop en dat was niet alleen vanwege de honger. In iets minder dan 36 uur was ik een moordenaar geworden, weliswaar niet met voorbedachte rade, maar toch. Bovendien stond ik op het punt de Wet op de lijkbezorging te overtreden, mee te werken aan kannibalisme en had ik mijn eerste administratieve klant binnen gehengeld. En ineens schoot het me te binnen dat Sylvester sinds vanmorgen in de woonkamer opgesloten zat wat mij ook al geen dierenvriend maakte. Mijn leven was ethisch leeggelopen als een stukgeslagen vat water. Hoe ging ik dat in vredesnaam allemaal oplossen?
‘De parkeerplaats is leeg,’ hoorde ik even later aan de andere kant van de deur zeggen.
‘Kunnen we onderweg mijn hond ophalen?’ vroeg ik; dat was het enige dat ik in de gauwigheid recht kon breien aan mijn gedrag.

Esther parkeerde haar auto met de achterkant richting haar huis. Er lag een zandbak zonder enige beschutting om de woning, gelukkig brandde er geen licht bij de buren. Ze opende de voordeur en deed het buitenlicht uit. Nu zag ik pas dat er vanaf de overkant een zee van licht uit een slaapkamerraam kwam, er stond een gestalte.
‘Daar woont een gezin met een mongoloïde kind, een meisje,’ legde Esther uit die mij zag kijken. Ze staat ’s avonds vaak uit haar raam te staren. Ik denk dat ze slecht slaapt. Gelukkig is ze…’ Ze draaide met haar vinger een rondje langs de zijkant van haar hoofd. ‘Het kind beweert zelfs dat haar overleden oom hier weer rondloopt.’
Sylvester sprong uit de auto en piste tegen de enige boom die nog in de tuin stond, een grote eik.
Samen parkeerden wij Judith in de gang totdat Esther haar bmw op zijn plek had gezet. Toen brachten we het pakket naar de keuken.
‘Ik denk dat ik een grotere vriezer moet kopen,’ zei ze peinzend. ‘Dit gaat er nooit in, hoewel ze kleiner leek dan Annelize.’ Met een mes sneed ze het plastic om Judith weg.
‘Zou je mij eerst naar huis willen brengen,’ zei ik. Ik wilde niet toekijken hoe Esther van Nuenen haar vlees invroor.

Op mijn tafel lag een brief van de woningbouwvereniging die ik niet hoefde te openen omdat ik al wist waar hij over ging: huurachterstand. De aanschaf van achtenvijftig simkaarten en een mobiel en een printer en een reisje naar Groningen hadden hiertoe geleid. Daaronder lag een brief van het gasbedrijf die qua inhoud weinig afweek, verder was er een binnengekomen van de elektriciteitsmaatschappij en een van de verzekeraar, allemaal idem. Mijn keukenkasten waren leeg. Investeren is alleen maar leuk als het iets oplevert. Ik had geld nodig en zag nog maar twee opties: of ik probeerde de Judith-truc nog een keer of ik zocht mijn enige klant op en ging aan de slag zodat ik een factuur kon zenden. Voor beide viel iets te zeggen, maar beide brachten ook een risico met zich mee. Al deducerend besloot ik dat het voeren van een boekhouding, zelfs voor iemand als Esther van Nuenen, het veiligst was en ik pakte de telefoon.

‘Ik heb je advies opgevolgd,’ zei ze toen ik even later bij haar aan de eetkamertafel zat, ze schoof een map met bonnen naar mij toe.
‘Wat heb je met de botten gedaan?’
‘Weggegooid op het Kopje van Bloemendaal. Daar loopt genoeg wild rond, dacht ik. Koffie?’
Ik betwijfelde of er veel vleeseters rondliepen op het Kopje maar zei verder niets. Weggooien klonk mij nog altijd beter in de oren dan bewaren, of in de tuin begraven, hoewel dat laatste Judith iets van een laatste rustplaats had gegeven.
‘Heb je ook verkoopfacturen?’
Uit een map pakte ze drie blaadjes. Eigenlijk was ik vooral geïnteresseerd in de factuur die ze Eduard had gezonden. Ik bladerde door de papieren.
‘3.941 euro voor een verjaardagsfeestje?’ Ik schrok van de prijs die mijn ex had neergeteld. Enige normale alimentatie zat er niet in, maar duizendjes wegsmijten aan een borrel vormde geen enkel probleem! Meneer had het natuurlijk geboekt als bedrijfskosten, ook een manier om je inkomen te laag te houden om je ex fatsoenlijk te kunnen onderhouden. ‘Dus mijn ex betaalt jou bijna vierduizend euro om zijn cliënte op te mogen eten?’
‘Ja, dat weet hij uiteraard niet,’ zei ze. ‘Maar hij was verder erg tevreden, hoor. Ik heb vijf nieuwe opdrachten gekregen dankzij dat feest. Het is maar goed dat ik nu een goede leverancier heb gevonden, anders zou ik niet weten wat ik moest doen. Koffie, koekje?’

Ik knikte en toen drongen haar woorden tot mij door. ‘Leverancier?’ vroeg ik voorzichtig.
‘Mmm.’ Met een mond vol koek knikte ze bevestigend. Ze slikte door. ‘Voor zaterdag heb ik weer nodig en dan, even kijken,’ ze telde op haar vingers, het kwam op mij nogal kinderlijk over. ‘Over drie weken schat ik in en zeg twee weken daarna. Gaat dat lukken, denk je?’
Ik was even overdonderd. Dacht deze vrouw nu werkelijk dat ik op regelmatige basis uit moorden zou gaan, correctie, Eduards cliënten om zeep zou helpen zodat zij haar feestjes ongestoord kon cateren? Aerdenhout tot een bolwerk van kannibalisme ging maken? Dit kon zo niet doorgaan, ik moest ingrijpen.
‘Nee, uiteraard gaat dat niet lukken,’ zei ik. ‘Ik ben boekhouder, geen slager.’
‘Je zult wel moeten. Ik heb jou werkelijk nodig, en jij mij.’ Ze keek mij strak aan, de vrouw van bankier Maarten van Nuenen de Vierde keek mij, de ex van haar psychotherapeut, de bedrogen echtgenote die op haar bijstandsuitkering in een eenkamerwoning in Santpoort-Noord bivakkeerde, strak aan. En ik wist dat ze gelijk had.

Toen ik even later naar de bushalte liep met de administratie van Esther van Nuenen Sushi & Amuses in een Albert Heijn tasje voelde mijn borst zwaar aan. Zelden was ik achtereenvolgens zoveel verkeerde wegen ingeslagen als de laatste tijd. Weliswaar wist ik iets van mevrouw Van Nuenen waarmee ik haar voor jaren achter de tralies kon krijgen, maar zij wist net zoveel van mij en het vooruitzicht een aantal jaar met haar op tien vierkante meter te moeten doorbrengen sprak mij niet erg aan. Ik had ook meteen de politie moeten waarschuwen nadat Judith was gevallen, toen had ik nog een redelijke kans dat ze zouden accepteren dat het een ongeluk was. Goed, een sluitende verklaring van onze aanwezigheid in de familietombe van mijn ex-schoonmoeder had ik niet, maar toch. Hooguit had ik… wat… mijzelf onrechtmatige toegang verschaft tot een graf? Zoiets. Nu kon ik niet meer terugkeren naar dat kruispunt, de keuze was gemaakt en ik moest de weg vervolgen tot ik de volgende kruising tegen zou komen. Er zat weinig anders op dan voor komende zaterdag Esthers bestelling te leveren, alleen deze keer wilde ik er op zijn minst iets aan overhouden. Al was het alleen maar omdat ik liever duizenden kilometers verwijderd van Esther van Nuenen wilde zijn. Dan maar niet terug naar Aerdenhout. Malaga klonk op dit moment een stuk prettiger in mijn oren. Even overwoog ik om haar de leveringen in rekening te brengen, maar dat idee schudde ik onmiddellijk weer van me af. Hoe meer lijnen ons aan elkaar zouden verstrikken, hoe erger de situatie werd, mochten we alsnog bezoek van de politie krijgen.

Die middag zat ik dus met Eduards dossiers voor me aan tafel. Ik sorteerde ze in twee stapels: geschikt en ongeschikt. De stapel geschikt werd steeds groter, de cliënten van Eduard waren stuk voor stuk puissant rijk. Mensen met geld dat hen niet gelukkig had gemaakt, als ik zijn aantekeningen mocht geloven. Toen ik klaar was met sorteren pakte ik de bovenste map van de stapel ‘geschikt’. Sylvester sprong op schoot.

‘Vrouwtje is in handen gevallen van een gevaarlijke gek en heeft even geen tijd voor je,’ zei ik terwijl ik hem terug op de grond zette. De schijnbare moeiteloosheid waarmee die woorden over mijn lippen rolden gaven een adrenaline rush waar een onbeschrijfelijke angst onder broeide. Het liefst had ik mijn koffers gepakt, maar ik was volkomen bankroet, op een dubbeltje na dan.

Lydia Rademakers stond er aan de binnenkant van de kaft geschreven. ‘Lydia heeft moeite met het feit dat haar man niet kan accepteren dat hun enige kind het syndroom van Down heeft,’ las ik. Ik zocht Lydia’s adres op. Precies wat ik dacht, het was de overbuurvrouw van Esther, de moeder van het meisje met de slapeloze nachten. Esmeralda heette ze volgens het dossier. Lydia had graag meer kinderen gehad, maar haar man wilde geen ‘Jostiband aan zijn eettafel’. Zou hij dat werkelijk gezegd hebben? Wat een keiharde lul. Vreemde gedachte trouwens, voor iemand die gericht op zoek was naar een vers lijk want wat zeiden mijn daden eigenlijk over mij? Het huwelijk van Lydia was geen feest, of althans, aan de buitenkant leek het weliswaar één groot bal te zijn, diep van binnen was ze al dat uiterlijk vertoon spuugzat. Vrij recent ging haar dochter geesten zien, had ze Eduard laten weten. Bijna dagelijks beweerde ze dat haar oom Paul terug was uit de dood. Lydia vroeg zich af of het meisje niet te veel van de stress, die tussen haar ouders borrelt, oppikte.

Deze informatie was niet geschikt om iemand mee af te persen, bovendien wilde ik een geestelijk gehandicapte niet haar moeder afnemen omdat de overbuurvrouw carrière wenste te maken. Ik legde de map weg. Het volgende dossier is van Charlotte Brenninkmeijer. Die vrouw kende ik, zij is ook getrouwd met een psycholoog. Conculega’s noemde ze Eduard en haar man altijd. Ik heb zo'n bloedhekel aan mensen die woorden op deze manier samenstellen dat ik alleen al daarom bereid was Charlotte door een rilette te laten roeren en ik ging lezen. Eduards dossiers zijn spannender dan Vijftig tinten grijs moest ik zeggen. Charlotte is haar echtgenoot zat omdat hij te oud is, zijn buik te dik is en zijn piemel te klein, las ik. Het enige dat haar nog kon bekoren was zijn inkomen en zijn status als Aerdenhoutse psycholoog. Een paar maanden geleden had ze op een alleenstaande reis naar Parijs een fransman ontmoet die haar sexy kaartjes stuurde met teksten als je suis curieux de toi. Meneer Brenninkmeijer meende dat ze met een vriendin was gaan skiën in Winterberg. ‘De fransman kan likken als Lassie,’ las ik en ineens vroeg ik mij af welk psychologisch doel het noteren van dit soort informatie dient. In gedachte zag ik Eduard zichzelf aftrekken boven zijn dossiers in de late uurtjes dat hij zei nog aan het werk te zijn, iets wat een onzinbeeld was want voor dat soort klussen huurde hij zijn secretaresse in. Hoe het ook zij, ik kon er wel iets mee en ik noteerde het adres en het telefoonnummer van de Brenninkmeijertjes.

‘Met Charlotte Brenninkmeijer.’ Zo nam ze de telefoon op toen ik de volgende dag op een bankje in het duin naar haar belde. Ik gooide Sylvesters bal weg.
‘Jij houdt van honden hè, Charlotte,’ zei ik.
‘Met wie spreek ik?’
‘Met iemand die ook van honden houdt, alleen laat ik mij op hele andere plekken door ze likken dan jij.’
‘Ik weet niet waar u het over heeft, als u het niet erg vindt, ik heb wel meer te doen dan dit soort flauwe…’
‘Jean Pierre, met een tong als Lassie, Charlotte, daar heb ik het over.’
Het bleef stil, het bleef te lang stil. ‘Charlotte?’
‘Wie bent u,’ vroeg ze.
‘Noem mij maar… Jeff,’ zei ik. Jeff was geen naam voor een vrouw, maar zo heette de baas van Lassie nu eenmaal dus was ik die dag Jeff. ‘Charlotte, als jij niet wilt dat jouw eigen psycholoog op de hoogte wordt gesteld van jouw, hoe zal ik het zeggen, natte hobby, dan neem je over een uurtje weer de telefoon op en zal ik je precies uitleggen hoe je dat kunt voorkomen.’
‘Ik laat mij niet chanteren door een…’ zei ze
Op dat moment drukte ik haar weg.
Over een uur had Charlotte alle voors en tegens afgewogen en kon ze een betere beslissing nemen dan nu. Ik pakte de bal van Sylvester aan en gooide hem nog een keer weg.

Aflevering 5

Dat vind ik nog het meest onverteerbare, dat dit soort telefoontjes mij net zo makkelijk afgingen als het bestellen van een pizza. Die vrouwen, het doel dat ik voor ogen had, de wrok die ik jegens Eduard koesterde, het bracht een kant in mij naar boven die ik niet eens had willen leren kennen. Daarmee verder leven, met de wetenschap dat ik in principe in staat ben om zonder scrupules heel ver te gaan, dat is taai.

‘Heeft u al eens overwogen om een goede psycholoog in de arm te nemen?’

De rechercheur gelooft geen klap van mijn verhaal en misschien is dat ook wel goed. Ik ben eerlijk, dat is voor mij belangrijk. Wat hij er verder mee doet is zijn zaak, dus maak ik mijn relaas gewoon af. Misschien dat het mijn geweten schoont.

Exact een uur later zat ik met een uitgeput hondje op mijn schoot toen ik Charlotte Brenninkmeijer weer opbelde. Het duurde even voordat ze opnam, alsof ze twijfelde.
‘En, heb je al besloten of je open kaart wilt spelen met je echtgenoot?’
‘Hoeveel wil je?’ vroeg ze. Haar stem klonk als die van Judith, het rauwe van iemand die geen keus heeft klonk erin door en ze kwam wat hijgerig over.
‘Ik ben een bescheiden mens, Charlotte. Een ton is genoeg. Dan blijft jouw voorliefde voor vreemde tongen onder ons,’ en weer verbaasde ik mij over het gemak waarmee mij dit afging.
‘En hoe weet ik dat het daarbij blijft?’
Charlotte keek ook naar televisieseries, die wist dat een chanteur doorgaans doorperst totdat er geen financieel vocht meer uitkomt.
‘Daar zul je op moeten vertrouwen, maar geloof me, na deze transactie is het echt over,’ zei ik. De opmerking vond ik zelf nota bene raar klinken, want waarom zou ik van haar verlangen dat ze mij vertrouwde als ik mijzelf al niet eens vertrouwde?
‘Morgenmiddag om vijf uur zie ik jou op de begraafplaats aan de Bergweg in Bloemendaal, bij de eerste splitsing, er ligt ene Annie. Vanaf daar loop je met mij mee. Als je niet op komt dagen, krijgt jouw man overmorgen een brief waar hij persoonlijk voor moet tekenen. Fijne avond Charlotte.’

‘Ik geef toe dat ik op dat moment de wet overtrad, maar u moet begrijpen dat ik niet anders kon. Esther van Nuenen hield mij in een houdgreep, zo voelde ik dat althans.’
‘Eerlijk gezegd, mevrouw Alberda, ik…’
‘Ik heb liever dat u mij Irene noemt,’ onderbreek ik hem. Dat mevrouw Alberda kon ik even niet meer horen, bovendien, ik was geen mevrouw Alberda meer en voelde mij ook niet zo. Voor het eerst in een jaar was ik eraan toe om mijn meisjesnaam weer te gebruiken.
‘Irene, ik heb op het eerste gezicht de neiging uw relaas af te doen als een bekentenis, terwijl u geen dader bent.’
Aha, vandaar zijn voorstel om een psycholoog te consulteren.
‘Als ik dit uit mijn duim had kunnen zuigen zou ik wel schrijfster worden,’ zeg ik.

‘Kan ik een vrieskist aftrekken van de belasting?’ Zojuist had ik de deur opengedaan, Esther stond op de stoep, of liever gezegd, op de galerij. De vraag overviel me, vooral omdat deze nogal klinisch gesteld werd, terwijl ik de achterliggende reden vermoedde.
‘Als het zakelijke kosten zijn: ja,’ antwoordde ik in een poging de zaak dan ook maar strikt zakelijk te benaderen.
Zonder iets te vragen liep ze verder naar binnen. Ze bekeek mijn inrichting nauwkeurig en zei toen: ‘Ga je zo meteen mee om er eentje te kopen? Ik heb een kist gevonden met een binnenmaat van één meter negentig bij een horecagroothandel. Dan hoef ik niet iedere keer met mijn elektrische mes aan de gang, dat maakt zo'n troep.’
Het klonk bijna als een voorstel om gezellig samen wat te gaan shoppen, twee vriendinnen die een dagje uitgaan, wellicht een terrasje pakken, wit wijntje erbij. Dit mens was echt stapelgek en als ik niet uitkeek ging ik haar nog logisch vinden ook.
‘De vorige keer dat ik…’
‘Die details wil ik liever niet horen,’ zei ik. ‘Bovendien, ik kan nu niet mee, want ik heb om vijf uur een afspraak met Charlotte Brenninkmeijer op de Bergweg en daar moet ik met de bus heen.’
‘Zo, jij laat er ook geen gras over groeien! Weet je wat, ik rij zo dadelijk vast achter je aan!’
Dat had ik dus beter niet kunnen zeggen.
‘Of ik breng je even, dat is misschien wel veel handiger.’
Dit werd een nachtmerrie. Maar wat ik vervolgens ook in de strijd gooide, Esther was niet meer van haar plan af te brengen.
‘Doe geen moeite,’ zei ik.
‘Welnee, het is geen enkele moeite. Dan sta ik gewoon vast klaar terwijl jij je werk afmaakt.’

Dit begon toch wel erg op voorbedachte rade te lijken. Was ik eigenlijk wel van plan om Charlotte iets aan te doen? Liever kreeg ik gewoon die ton van haar en nam ik de kuierlatten. Hoewel ik in dat geval beter om een miljoen had kunnen vragen, met zo’n bedrag had ik het nog wel een tijdje uitgezongen, met een ton kom je tegenwoordig niet meer zo ver.
‘Ik denk toch dat het beter is als ik je bel wanneer ik je nodig heb, op deze manier voel ik mij erg opgejaagd.’ Het klonk plausibel, vond ik.
‘Onzin, ik jaag je niet op, ik ben gewoon praktisch ingesteld. Dat word je vanzelf wel als je lang in Aerdenhout woont, anders is het geen leven daar.’
‘Maar misschien is het niet zo handig als wij een telefoonspoor achterlaten.’
‘Jij hebt toch 58 simkaarten? Geef mij het nummer van eentje, dan koop ik zo een prepaid. Gaan we nu eerst naar een vrieskist kijken.’
Ik gaf het op.

Bij de horecagroothandel stond Esther de voors en tegens van bepaalde afmetingen af te wegen alsof ze de keuze maakte tussen het aanschaffen van een kilo jonagolds of een kilo golden delicious bij een marktkoopman. Dat de verkoper niet in de gaten had waarom zij de kist kocht, verbaasde mij hooglijk.
‘Dus ik kan er zelfs mensen recht inleggen, zodat ze goed gestapeld kunnen worden,’ hoorde ik haar zeggen.
De verkoper schoot in de lach en Esther giechelde mee als een lagereschoolmeisje, terwijl ik mij afvroeg hoe ik hier wegkwam.
‘Kan hij zo snel mogelijk geleverd worden? Ik heb nogal wat opdrachten ziet u en het vlees daarvoor moet ergens in bewaard worden. Zet u de bon maar op Esther van Nuenen Sushi & Amuses.’
Mijn maag draaide om en ik liep de deur uit, op zoek naar frisse lucht. Terwijl voor mij de auto’s over de A5 raasden, gaf ik over tegen een schriel boompje.
‘Gaat het een beetje?’ hoorde ik Esther achter mij vragen.
Ik knikte.
‘We moeten gaan, anders staat Charlotte Brenninkmeijer er eerder dan jij.’

‘Had ik je al verteld dat de Amuse Award aan mij zal worden uitgereikt,’ zei ze in de auto plots tegen me. ‘Ik kreeg het bericht gisteren, het heeft nu al tot zoveel extra boekingen geleid dat ik overweeg om personeel in te huren.’
En opnieuw besefte ik dat dit nooit zou stoppen. Dat ik in de draaimolen was gestapt die Esther van Nuenen heette, een molen die steeds sneller zou gaan rondtollen totdat ik eraf werd geslingerd, tenzij ik direct zou uitstappen, nu het nog kon. Dan maar een zekere straf accepteren, maar mijn leven moest ik weer in eigen hand nemen. Jaren had ik laten verpesten door mijn echtgenoot en nu zou zijn patiënt de zaak van hem overnemen? Dat wilde ik coûte que coûte niet toelaten. Esther moest uit mijn leven!
‘Misschien moet je naar een psycholoog, ik heb goede berichten gehoord over Brenninkmeijer,’ zei ik.
Verbouwereerd keek ze mij aan. ‘Waarom? Ik ben genezen. Ik heb liever dat jij zijn vrouw vanavond…’ ze stopte.
‘Wat? Om zeep help? Fileer? Tot hamlappen versnijd? Kom op zeg, je denkt toch niet dat ik hieraan blijf meewerken!’ Dat kwam er feller uit dan ik wilde. Esther leek mij iemand die je met fluwelen handschoentjes moest aanpakken, wilde je zelf geen slachtoffer worden.
‘Alsof afpersing zo lekker op je cv staat,’ pareerde ze. ‘Om nog maar niet te spreken van moord.’
Ze had gelijk. Ik zei niets meer.

Terwijl we de spoorwegovergang passeerden, pakte ze een geweer uit haar tasje.
‘Dit is een Trapdoor, met een afgezaagde loop.’
Meer niet. Haar woorden voelden aan als een bedreiging.
Was het moord, vroeg ik mij af toen ze de Bergweg opdraaiden. Judith viel mij aan en ik gaf haar een duw, dat was alles. Goed, daarna had ik beter onmiddellijk de politie kunnen bellen, maar moord? Toch zelfs geen doodslag, hoewel…
De bmw stopte voor de poort van de begraafplaats. We stapten allebei uit.
‘Succes,’ zei Esther terwijl ze tegen haar auto aanleunde, de Trapdoor in haar hand als Bonnie zonder Clyde.

Zwijgend liep ik weg. Ver voor de eerste splitsing zag ik haar al staan, en zij mij.
‘Irene Alberda,’ waren haar eerste woorden.
Ik schrok. Door alle commotie was ik mijn pruik vergeten, dat was knap stom van me. Maar dan, wat deed die vermomming ertoe? Judith had er ook doorheen geprikt en van Charlotte stond nu al vast dat ze… Fout. Er stond niets vast. Ik was hier gewoon het ex-familiegraf aan het bezoeken, plantjes aan het water geven. Of nee, ik ging Annies steen schoonschrobben, dat zou ik gaan doen.
‘Hallo,’ zei ik vriendelijk tijdens het passeren.
Charlotte antwoordde niet.
Bij het kraantje tapte ik een gieter vol. Daarmee liep ik naar Annie. Bij gebrek aan een borstel gaf ik de plantjes op haar graf water terwijl ik mij afvroeg of er iets in mijn tas zat dat ik kon gebruiken om mijn handelingen te legitimeren, een doekje of een voor mijn part een nagelborsteltje want dit sloeg nergens op, het had nota bene de hele middag gegoten van de regen.
‘Heb ik met jou een afspraak?’ hoorde ik aarzelend achter mij zeggen, bij ieder woord haalde ze een teugje adem.
Ik draaide me om.
‘Niet dat ik weet,’ zei ik en keek haar strak aan. ‘Mag ik je aanraden om via de achterkant de begraafplaats te verlaten? Vraag mij maar even niet om dit uit te leggen.’
‘En dan krijgt mijn man morgen een brief?’ Ze wreef met haar hand over haar sleutelbeen.
‘Ik weet niet waar jij het over hebt.’ Ik draaide me om en ging verder met mijn werk.

‘En natuurlijk moest die eigenwijze tante toen de poort uitwandelen, recht in de armen van Esther van Nuenen en haar Trapdoor die Charlotte gewoon terugstuurde. Kunt u zich dat voorstellen? Sta ik even later weer met mevrouw Brenninkmeijer voor mij op die splitsing, bij Annie. Maar nu wist ze te veel. Wat moest ik doen?’

Graaiend in haar tasje kwam ze teruggelopen, haar gezicht had een hoogrode kleur.
‘Hier.’
Enige meters voordat ze bij mij was smeet ze een gele envelop in mijn richting. Waarschijnlijk zat er een ton in. Ik pakte hem op en smeet het ding naar haar terug.
‘Ik hoef je geld niet,’ zei ik.
‘O, je weet dus wat erin zit?’
Dat was niet zo’n slimme opmerking, ontkennen had nu weinig zin meer.
‘Ik zei toch dat je de achteruitgang moest nemen?’
‘Voor zover ik weet is hier geen achteruitgang. Bovendien ben ik niet geneigd dergelijke adviezen aan te nemen van een bijstandstrekker.’
Bijstandstrekker? Er werd dus over mij gekletst in het Aerdenhoutse. Irene Alberda, nee, Irene Liefting, de bijstandstrekker uit Santpoort-Noord. De wrokkige ex die iedere dag haar hond uitlaat voor de deur van haar voormalige echtgenoot. Niet langer een van ons, wonend aan de verkeerde kant van het spoor. Zou Eduard mij trouwens niet gemist hebben? Of zijn dossiers? Het kapotte raam moet toch inmiddels zijn opgevallen?
‘Dat is dan dom, Charlotte,’ zei ik uiteindelijk.
Ze hield haar rechterhand op haar linkerschouder en zag er niet gezond uit. Bijna happend naar adem vroeg ze: ’En wat doet Esther van Nuenen hier, nota bene met een pistool? Of schept dat een band, wonen in een achterstandswijk? Dat mens schijnt uit de Bijlmer te komen.’
‘Trapdoor.’
‘Wat?’
‘Trapdoor, het is geen pistool maar een geweer. En ik weet niet wat ze met dat ding hier doet. Wel weet ik dat jij binnenkort door de rilette van haar Sushi & Amuses geroerd wordt, uitgedeeld op toastjes tijdens het feestje van Eduard Alberda en eerlijk gezegd, Charlotte, ‘conculega’ Brenninkmeijer, gun ik je dat ook nog. Nog geen jaar geleden waren wij vriendinnen, of gingen we in ieder geval vriendschappelijk met elkaar om, en nu ben jij te goed voor mij? Ben ik een bijstandstrekker uit een achterstandswijk? Iemand op wie jij kan spugen?’
Ik had te veel gezegd, ze trok wit weg en wankelde achteruit, haar lippen verloren kleur.
‘Waar heb jij het over?’
‘Mijn idee is het niet,’ verdedigde ik mijzelf terwijl ik mijn handen omhoog hield. ‘Ik doe ook alleen maar wat mij opgedragen wordt.’ Op dit punt vond ik mijzelf wel erg laf klinken. Eigenlijk was ik er nog niet uit wat ik ging doen; dat ik Charlotte een lesje gunde betekende namelijk nog niet dat ik haar dood wenste, maar haar bedreigen deed ik wel.
‘Je bent gek geworden?’
Daar zou ze weleens gelijk in kunnen hebben, hoewel Eduard altijd zei dat mensen die zichzelf gek vonden het doorgaans niet waren.
‘Eén miljoen, wat dacht je van een miljoen. Of nee: twee, drie!’ De woorden rolden als een lawine uit haar mond. Als ik nog even wachtte werden het er zo vijf.
Achter haar zag ik Esther aankomen. Charlotte zag me kijken en draaide zich om, haar bewegingen werden wild.
‘Drie miljoen,’ herhaalde ze toen. ‘Morgen, op iedere bankrekening die je maar wilt.’
‘En hoe weet ik dat jij je aan jouw woord houdt?’
‘Vertrouw me,’ smeekte ze bijna, ze ging nog net niet op haar knieën.

Esther was ons nu tot binnen gehoorafstand genaderd. Wat moest ik doen?

Slot

Die laatste seconden leken eeuwen. Mijn gedachten vlogen met de snelheid van het licht heen en weer en bleven botsen. Wat als Charlotte liegt? Wat als Esther gaat schieten? Wat als ik nu 112 bel? Wat als ik nooit, maar dan ook nooit meer uit die vermaledijde keuken/zit/slaapkamer in Santpoort-Noord kom? Wat als Sylvester weg moet kwijnen in een asiel omdat ik bivakkeer in de vrouwengevangenis van Nieuwersluis? Wat als…?

En toen werd de beslissing voor mij genomen. Niet door Esther, die bleef keurig met haar Trapdoor een paar meter verderop stilstaan, maar door Charlotte zelf want nog voor ik haar kon antwoorden zakte ze traag in elkaar. Aanvankelijk dacht ik dat ze was flauwgevallen, totdat ik de kleur van haar lippen zeg. Door haar zachtrode lippenstift schemerde er duidelijk iets blauws en dat zat mij niet lekker. Ik ging door mijn knieën.
‘Charlotte?’ vroeg ik terwijl ik haar voorzichtig heen en weer schudde. De vrouw gedroeg zich als een lappenpop, dit was niet goed.
‘Heeft ze een polsslag?’
Eindelijk kwam er iets zinnigs uit die Esther van Nuenen. Met mijn vingers voelde ik aan Charlottes pols, ik kon niets ontdekken. Toen legde ik mijn hoofd op haar borst. Het was stil vanbinnen, hooguit borrelde er iets, maar er was niets te horen dat ik herkende als een hartslag.
‘We moeten 112 bellen,’ zei ik, ‘ze heeft een hartstilstand.’ Ik vouwde mijn handen over elkaar en ik pompte ze in haar borstkas. ‘Kun jij haar beademen?’
‘Ben jij gek!’ Esther bleef staan.

‘Het was bepaald niet het juiste moment om in discussie te gaan over de vraag of Charlotte Brenninkmeijer wel of niet gered moest worden, toch deed Esther dat en daarmee bezegelde ze hun beider lot. Als zij daar had laten zien dat ze over enige medemenselijkheid beschikte had ik u niet gebeld.’
De rechercheur zit tegenover mij aan de eettafel, aan zijn gezicht kan ik weinig aflezen maar ik bespeur een zeker ongeloof met een vleugje ironie.
‘Mevrouw Alberda, Irene bedoel ik, beseft u waar u mevrouw Van Nuenen van beschuldigt?’
‘Uiteraard!’
‘Er zijn vrouwen verdwenen en u beweert dat deze per ongeluk… hoe zal ik het zeggen… om het leven zijn gekomen. U meent zelfs dat ze door de vrouw van een vooraanstaand bankier zijn uitgebeend ten behoeve van haar hapjes.’
Dit klinkt mij als samenvatting bondig maar juist in de oren.
‘Die botten op het Kopje hebben wij naar het lab gestuurd en inderdaad, we hebben kunnen vaststellen dat tenminste het dna van Judith Gravensteijn - De Waal ermee matcht. Van mevrouw Van Rooijen - Zuilensteijn en Charlotte Brenninkmeijer is geen spoor teruggevonden. Wel was er sprake van onbekend dna.’
‘Constanze van Nuenen,’ zeg ik.
‘Pardon?’
‘Vergelijkt u dat dna maar met dat van Constanze van Nuenen.’
‘Er is bij ons niets bekend over een mogelijke vermissing van de oude mevrouw Van Nuenen.’
‘Nog niet.’

Ik heb een paar minuten lang geprobeerd Charlotte te reanimeren, maar zonder succes. Al die tijd stond Esther erbij te kijken. Toen ik uiteindelijk kon accepteren dat ze overleden was, ben ik opgestaan en weggelopen. De envelop heb ik nog wel opgepakt. Ik kon al dat geld daar moeilijk laten liggen.
‘Help je me even,’ hoorde ik nog zeggen terwijl ik richting de poort liep. Daar heb ik maar geen antwoord meer op gegeven.

Diezelfde avond belde ze me. Ik zat net op de bank met een kop thee en had Goede tijden slechte tijden aangezet toen de telefoon ging. Onbekend nummer, stond er op het schermpje, dus nam ik op.
‘Mijn schoonmoeder was hier zojuist voor een dinertje,’ zei ze. ‘En nu…’

Ik beëindigde het gesprek, dit wilde ik niet eens meer weten. Daarna heb ik mijn simkaart eruit gehaald en door de wc gespoeld. Het abonnement zou toch binnenkort aflopen en voorlopig redde ik mij wel met de voorraad prepaidkaarten die ik had liggen.

‘Afgelopen week las ik dus in de krant dat er menselijke resten waren gevonden op het Kopje van Bloemendaal en…’
‘Ik vind dit een uitermate vreemd verhaal,’ onderbreekt de rechercheur me. ‘In mijn hele carrière heb ik dit nog niet meegemaakt.’
‘Gelooft u mij niet?’
Hij staat op en loopt richting de hal.
‘Ik zal uw verklaring summier nagaan, maar erg veel tijd ga ik er niet aan besteden. U hoort nog van me.’
De voordeur valt achter hem in het slot.
Dat ik zojuist verklaarde Judith Gravensteijn gedood te hebben was voor hem kennelijk geen reden om tot arrestatie over te gaan. Daar kan maar een reden voor zijn, hij denkt dat ik alles van A tot Z gelogen heb.

In de dagen die volgden probeerde ik mijn leven zo goed en kwaad als het ging weer op te pakken. Nog steeds woonde ik op een eenkamerflat en ‘genoot’ ik een bijstandsuitkering, maar met een envelop vol bankbiljetten in het graf van Annie, de dossiers liggen ernaast. Ik had geen idee of de biljetten gemerkt waren, of dat Charlotte de bank had ingelicht over het feit dat ze gechanteerd werd. Ze zal iets verklaard hebben toen ze om die ton in contanten vroeg. De politie was destijds in ieder geval niet gewaarschuwd, anders had de rechercheur zonder meer geweten waar ik over sprak. Mijn dagelijkse busreisje naar Aerdenhout heb ik opgegeven. Wat moet een mens met wrok? Door eraan toe te geven voed je het alleen maar en ik wilde niet oud worden als ‘stalkende ex van’. Nu ik gewoon in het duin bij Santpoort wandel, drijft Eduard steeds verder naar de achtergrond. Daar komt bij, sinds de periode die ik met Esther van Nuenen heb doorgebracht heb ik niet meer zo’n behoefte aan Aerdenhout en begin ik de voordelen van de andere kant van het spoor in te zien.

Weken gingen voorbij totdat er op een dag werd aangebeld en ik opendeed.
Op de galerij staan twee agenten: ‘Wij willen u vragen om mee te komen naar het bureau inzake de verdwijning van mevrouw Gravensteijn - De Waal,’ zegt een van hen.
‘Mag ik mijn hondje meenemen?’ vraag ik.
Als we de galerij af lopen zie ik Sonja van het Voetenpaleis naar buiten komen, ze lacht vriendelijk naar me, maar aan haar gezicht kan ik zien dat ze vooral nieuwsgierig is.

Aangekomen op het bureau word ik in een kamer geplaatst. Sylvester zet ik op schoot. Even later komt dezelfde rechercheur die destijds in mijn flat was binnen. Hij heeft een klein stapeltje papier in zijn hand die hij ondersteboven op tafel neerlegt zodat ik niet kan zien wat erop staat.

‘Mevrouw Liefting,’ zegt hij. ‘Destijds heeft u mij het een en ander verklaard. In de kern beschuldigde u mevrouw Van Nuenen ervan dames eh… te verwerken tot…’ Hij stopt even en schudt zijn hoofd. ‘Daar hebben wij echter geen enkel bewijs van kunnen vinden, het enige dat ik in handen heb zijn de botten die gevonden werden op het Kopje, maar ook die vondst leidt niet naar mevrouw Van Nuenen.’
‘Heeft u haar boekhouding bekeken?’ vraag ik. ‘Daarin treft u geen bonnen van de slager!’
‘Uiteraard hebben wij dat gedaan,’ hij draait de papieren om. ‘Dit zijn kopieën van bonnen van de vleesjuwelier in Aerdenhout.’
Zeventig kilo kalfslenden, lees ik op de eerste. Ik kijk naar de datum. Het vlees is gekocht de dag nadat ik haar het advies gaf om een boekhouding bij te houden. Daarna stond ze erop dat ik Charlotte Brenninkmeijer voor haar ‘oogstte’. Ik snap er helemaal niets meer van. Wat heeft ze met die zeventig kilo lenden gedaan?
‘Heeft u de voorraad in haar vriezer gecontroleerd?’ vraag ik.
‘Dat hebben wij ook gedaan en daarin troffen wij delen van de partij die op deze bon staat.’ De rechercheur prikt met zijn vinger op de laatste factuur die hamlappen vermeldde. ‘Maar geen mevrouw Gravensteijn, Brenninkmeijer of Van Nuenen, zoals u suggereert.’

Nu weet ik even niet meer wat ik moet zeggen.

‘Kan het zijn dat u zich vergist heeft?’

Ik zwijg.

‘Mevrouw Van Nuenen heeft verklaard dat zij u kent en dat u boos op haar bent. Een aantal maanden geleden zou er een ruitje zijn gesneuveld van de praktijk van uw ex-echtgenoot en zij heeft u ervan weerhouden te snuffelen in zijn archief. Dit verhaal werd bevestigd door de heer Alberda, echter, hij is naar eigen zeggen geen dossiers kwijt.’
Ik had het kunnen weten, Eduard zou nooit bekennen dat hij gevoelig materiaal heeft laten slingeren.
‘De tombe van de familie Van Heerdt tot Breughel bleek inderdaad opvallend schoon te zijn. Volgens mevrouw Alberda was u daar erg goed in, de tombe bijhouden. Blijft voor ons de vraag over hoe er resten van Judith Gravensteijn op het Kopje van Bloemendaal terecht zijn gekomen.’

Wat moet ik hierop antwoorden?

‘We hebben een gerechtelijk bevel om uw appartement en de kelderbox te onderzoeken op bloedsporen en dna. Op dit moment zijn onze mensen daarmee bezig. In afwachting daarvan stel ik voor dat u hier blijft. Uiteraard heeft u recht op een advocaat.’

Dat lijkt mij onzin, een advocaat, want ze gaan niets vinden.

‘Doet u maar koffie,’ zeg ik. ‘En een bakje water voor de hond. Heeft u verder iets te lezen voor me?’

Aan het eind van de dag gaat de deur weer open.

‘U mag gaan,’ zegt de rechercheur zonder verder naar binnen te stappen.
Als ik hem passeer vraagt hij: ‘Hoe wist u trouwens dat de oude mevrouw Van Nuenen als vermist zou worden opgegeven?’
Ik kijk hem aan en zeg dan: ‘Dat was een gokje, volgens Esther was ze niet komen opdagen voor een afgesproken dinertje bij haar thuis.’

Your comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *