ForensLex
Thrillerlezers 13 januari 2017

Na een zeer ontspannen eerste week van het nieuwe jaar, die voornamelijk bestond uit bankhangen en copy/paste – binnenkort wordt duidelijk waarom – is het weer tijd om de dagelijkse sleur te herstellen: 8 uur per dag in een onnatuurlijke houding op een stoel zitten in een stoffig, slecht geventileerd kantoor met een verstoorde werksfeer. Yay, motivatie.

Doordat we buiten de dorpsgrenzen zijn gaan wonen (had ik al gezegd dat we zijn verhuisd?)  ben ik nu een forens geworden. Voorheen bestond mijn reistijd van huis naar werk uit 5 minuten wandelen van voordeur tot voordeur, van file was alleen sprake als een stel ouderlingen breeduit over het voetpad langs de geparkeerde auto’s waggelde. Ik heb ooit zelfs nog een kortere reistijd gehad: ik woonde en werkte in hetzelfde gebouw en hoefde alleen de voordeur van het appartement te sluiten en de voordeur van het kantoor te openen, ideaal als je om 5 voor 8 wakker wordt en om 8 uur op kantoor moet zijn. Nu bedraagt mijn reistijd 47 minuten met het openbaar vervoer, 35 minuten met de ouderwetse stadsfiets of 13 minuten met de auto. Nog steeds niet wereldschokkend, maar wel een flinke verandering in de dagelijkse routine: eerder opstaan, later thuis. Wat een drama.

Om het nieuwe jaar goed te beginnen, heb ik mij voorgenomen regelmatig met de fiets naar werk te rijden. De kilometers die ik dan maak kan ik registreren bij fietsclub Le Champion, bekend van de Amsterdam Marathon. Aan het einde van het fietsseizoen zou ik dan 4000 kilometer bij elkaar gefietst kunnen hebben, als ik elke werkdag met de fiets zou gaan. Als. De afgelopen jaren bleef het aantal kilometers beperkt tot ongeveer 800 kilometer op de racefiets. Als ik zin had, de wind precies goed stond (geen wind dus) en het niet regende, pakte ik zo nu en dan de racefiets. Ik zit altijd vol wilde plannen en goede voornemens, maar mij ertoe zetten is vaak nogal een probleem: ik wil best fietsen, maar je wordt er zo moe van. Ik wil best dat plankje ophangen, maar ik moet eerst zelf nog even op de bank hangen.

Ik ben een beetje in een ritme gekomen, waarbij alles zonder al te veel moeite moet en ik al moe ben door er alleen maar aan te denken. Ik heb even geen motivatie meer om mijn best te doen. Als er iets kapot gaat heb ik de neiging om het weg te gooien en het te vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl achteraf blijkt dat er een sensor verschoven was of dat een naald en draad net zo’n goede oplossing was. Gemakzucht. Gebrek aan motivatie.

Om mezelf op te rapen zette ik de eerste fietstocht toch door, ondanks dat Fabio op de oprit zijn best deed mij te verleiden met een autoritje. Het hele weekend zat ik op Teletekst en Buienradar de weersvoorspelling in de gaten te houden – ik wil best op de fiets naar mijn werk, of toch niet, ik moet op zijn minst droog op mijn werk aankomen. Aangezien het 10 jaar geleden is dat ik voor het laatst op de fiets naar mijn werk moest, heb ik niet eens een regenpak. Bij regen pak je immers de auto, een paraplu of blijf je gewoon binnen zoals elk gezond denkend mens.

Na de fietsbanden op spanning te hebben gebracht en de gloednieuwe kilometerteller te hebben geïnstalleerd – ik moet natuurlijk wel weten hoeveel calorieën ik verbrand tijdens het fietsen, stap ik op en bind mijn rugzak met boterhamtrommel en appel op de rug. Buienradar voorspelde een droge rit, dus zonder al teveel tegenzin begin ik aan mijn episch avontuur van 8,8 kilometer.

Vol goede moed zoef ik de wijk uit, de dynamo van mijn voorverlichting schreeuwt het uit – waarschijnlijk van schrik dat het na 10 jaar rust opeens moet functioneren. Via het onverlichte fietspad trek ik met mijn knapzak de mistige polder door en probeer de rand van het asfalt goed in de gaten te houden wanneer ik word verblind door een tegemoetkomende lotgenoot. Sommige bestuurders lijken graag de straten in het volgende dorp te willen zien liggen in plaats van de weg voor hun snufferd. Behendig ontwijk ik ook de in overvloed aanwezige onverlichte tegenliggers, die blijkbaar per seconde willen weten hoe het weer ervoor staat. Het enige licht dat zij bij zich hebben, is het oplichtende schermpje van hun mobiel, zelfs het lichtje in de bovenkamer werkt niet. Na zo’n 4 kilometer begint de dikke winterjas nat aan te voelen door het zweet dat over mijn rug gutst. De bankjes die op regelmatige afstand naast het fietspad staan zien er verleidelijk uit, maar ik praat mezelf niet om en bikkel door. Nog maar 4,8 kilometer te gaan. Het pad leidt me verder langs de zee van rode en witte lichtjes op de provinciale weg. De afslag die ik anders een kwartier eerder met de auto had genomen doemt voor me op, nu ben ik er bijna. Ik stap af, zet mijn capuchon op om me te beschermen tegen de regenbui die onder de radar was gebleven en met de fiets in de hand wandel ik de brug op. Nu is het een rechte weg naar de voordeur. De ijzige kou doet me niets meer, ik voel ook niets meer. De harde wind jaagt door mijn hersenen en lijkt alle verstopte gedachten op te waaien.

Hijgend en puffend zet ik fiets in de voortuin van kantoor en zet hem op slot. Met capuchonhaar en een verwilderde baard waar de ijspegels aanhangen stap ik kantoor binnen. Mijn collega’s kijken verbaasd naar de voordeur als ik naar binnenstap.

‘Zo, voor de rest van het jaar met de auto.’

Your comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *